Van het feit dat er, kort da de wapenstilstand, grote onduidelijkheid heerste over het lot van de Belgische soldaten, getuigt onderstaande brief.
In een wanhopige poging om meer te weten te komen over het lot van Georges Leback, schrijft zijn oom, op 6 oktober 1940, een brief aan de koning.
'Lembeek den 6 oktober 1940
Sire,
met diepe nederigheid, doch vol vertrouwen, verzamelt een uwer onderdanen al zijnen moed, om aan te kloppen aan de deur uwer edelmoedige dienstvaardigheid. indien ik het aandurf mij tot uwe majesteit te wenden, is het enkel omdat ik geen anderen uitweg meer zie, om toch maar een greintje nieuws te bekomen, omtrent een droevig geval. Het betreft een uwer soldaten, de genaamde Georges Lebacq, van het 1e Regiment Grenadiers, 1e kompagnie, klas 38, stamboeknummer 135/80408, welke woonachtig was bij zijne ouders te Halle. Volgens mondelinge inlichtingen vertrekt door verschillende zijner wapenmakkers, zou hij zwaar gekwetst zijn geworden, te Rumbeke, bij Roesselaere, in den namiddag van den 27e mei. Een zijner kameraden heeft zelf geholpen, tot een dokter van het Roode Kruis hem, na de nodige eerste verzorging, heeft doen vervoeren. Naar het schijnt, laatstleden verklaarden dezen geneesheer dat, volgens zijne meening, de verwondingen van voornoemden soldaat, alhoewel van ernstigen aard, nochtans niet doodelijk waren. Ondanks deze nogal geruststellende bewering, zijn we toch uiterst bezorgd omtrent zijn lot, daar we nog altijd niet het minste woordje nieuws van hem zelf ontvangen hebben en we er maar niet in geslaagd zijn te weet te komen, wat er met hem sindsdien gebeurd is of waar hij wel mag verblijven. Onze ongerustheid is des te groter, daar de mededelingen, welke ons tot nu toe langs verschillende zijden zijn toegekomen, niet aanmoedigend klinken. Eerst meldde men ons, dat hij waarschijnlijk in een der hospitalen van Brugge of van Gent moest liggen. ik heb de Roode Kruisdienst van Brussel geraadpleegd. men wist er van niets. Dan heb ik persoonlijk geschreven naar de bevoegde diensten der twee vermelde Vlaanderensteden. Niet de minste inlichting. Wat later berichtte men ons, dat hij te Rumbeke begraven lag. De burgemeester dezes dorp heeft mij schriftelijk geantwoord, dat zulks valsch is. Daarna vernamen we, dat hij te Roesselaere overleden was. Eenigen tijd later was het te Lichtervelde. Deze twee gemeenten ontkenden zulks schriftelijk. Nu is het te Zarren, niet heel ver van den IJzer dat, volgens gezegden, den ongelukkigen jongen den laatsten adem zou hebben uitgeblazen, op den 29 mei. Doch, daar er op dezen datum nogal verwoed gevochten werd rondom deze rivier, kan ik moeilijk aannemen dat de Rode Kruisdienst, op deze kritische ogenblikken, de gewonden langsdaar vervoerde. We weten dus niet meer wat er nog eigenlijk van te denken of te geloven. Ik heb al op zoodanig veel plaatsen gelopen en geschreven, dit zonder den minsten bijval, dat de moed mij begon in de schoenen te zinken, als eindelijk in mijnen geest het gedacht opdaagde, mijne blikken tot uwe majesteit te richten. Ik ben vast overtuigd dat U zult oordelen, dat ouders en familieleden het recht hebben te weten, of hun kind of bloedverwant dood of nog in leven is, alsook in welk oord hij in elk der twee gevallen mag verblijven. Vol hoop steunen we dus op uwe Majesteit, en verwachten klaar antwoord, dat ons eindelijk juiste inlichtingen zal verschaffen. intusschen bied ik uwe Majesteit mijne diepe verontschuldigingen, voor de moeite welke ik Haar aandoe en smeek Haar te willen aanvaarden, de eerbiedige heilwenschen van gansch de familie.
Jozef Janssens, oom van den soldaat.
Aan Zijne Majesteit Leopold III,
Koning der Belgen, te Brussel.'